Vogelstoppels: 'niets doen' is interessanter dan je zou denken

Samen met enkele landbouwers uit Midden-West-Vlaanderen experimenteerden we met 'vogelstoppels' als maatregel voor akkervogels. En wat blijkt? Deze vorm van 'niets doen' is interessanter dan je misschien zou denken. We vatten kort de belangrijkste ervaringen en resultaten van de afgelopen twee jaar voor je samen.



Delen

Vogelstoppels: wat en waarom?

Veel akkervogels gaan er nog steeds op achteruit. Dit is al lang geen geheim meer en de belangrijkste oorzaken binnen de landbouw zijn gekend. Vroege maaibeurten, intensieve grondbewerking, hoog mest- en pesticidengebruik, afname van de bodemkwaliteit,… zorgen ervoor dat open, structuurrijke habitat verdwijnt en voedsel voor akkervogels schaarser wordt. Toch schuilt in de landbouw tegelijkertijd ook een deel van de oplossing.

Het langdurig aanhouden van graanstoppels - ook wel 'vogelstoppels' genoemd - is een veelbelovende éénjarige volleveldse maatregel. In plaats van de akker na de graanoogst meteen te bewerken, bemesten, in te zaaien met een vanggewas en klaar te leggen voor de volgende teelt, blijven deze graanstoppels na de oogst van het graan één jaar onaangeroerd liggen (geen bemesting, geen gewasbescherming, geen bodembewerkingen). Een jaartje niets doen dus. Ten vroegste vanaf 15 juli, na het broedseizoen, worden de akkers uiteindelijk terug bewerkt en beteeld.

   

© Inagro
© Inagro

Vogelstoppels creëren zo een tijdelijke, maar mogelijks waardevolle habitat voor heel wat soorten akkervogels. Ze bieden:

  • Jaarrond voedsel (zaden, blaadjes, insecten, wormen,...) en dekking.

  • Veilige nestgelegenheid en geschikt kuikenhabitat in het voorjaar en vroege zomer.

Vanuit landbouwkundig oogpunt kan de vogelstoppel gezien worden als een welgekomen jaar rust van het perceel. Tezelfdertijd werk je aan een gezond bodemleven en de vele nuttige insecten die je op een vogelstoppel herbergt, kunnen ook bijdragen aan de bestuiving en natuurlijke plaagbestrijding in de teelten rondom.

© Inagro

Elf vogelstoppels onder de loep

Verspreid over de afgelopen twee jaar legden enkele landbouwers in Midden-West-Vlaanderen samen 11 vogelstoppels aan, variërend in oppervlakte van 0,5 tot maximaal 1 ha per vogelstoppel. Naast de eerder beschreven vogelstoppels na graan, werden ook alternatieven verkend. Zo experimenteerden we met stoppels na mais (snijmais en korrelmais) of met graanstoppels mét inzaai van een vanggewas. Om ook later broedende akkervogels zoals de patrijs de beste kansen te geven, bleven alle vogelstoppels hier minstens aanliggen tot 1 augustus.

In de eerste plaats wilden we waardevolle praktijkervaring en kennis verwerven rond het potentieel van deze maatregel in de regio. 

   

© Inagro

Monitoring

De bouwvoor en het restnitraat werd per vogelstoppel opgevolgd. De vegetatieve ontwikkeling en de onkruiddruk documenteerden we via geregelde visuele waarnemingen en Tansley vegetatieopnames. Het monitoren van de aanwezigheid van bodemleven, vliegende insecten, vogels en zoogdieren gebeurde via tal van verschillende technieken gaande van potvallen, LED-emmers, vangsten met vlindernetten en visuele waarnemingen tot het inzetten van automatische detectiesystemen zoals wildcamera's, struikrovers en PUC Birdweather sensoren. 

Voor de monitoring van fauna op en rond de vogelstoppels konden we rekenen op de medewerking van vrijwilligers van Natuurpunt de Torenvalk en Wildbeheereenheid 't Veld.

Meer info over de gevolgde monitoring methodieken vind je terug in het rapport.

Resultaten in een notendop

We vatten hieronder de voornaamste resultaten en waarnemingen samen. Cijfers, beeldmateriaal en andere gegevens die dit onderbouwen zijn terug te vinden in het rapport.

Open vegetatie op maat van akkervogels

Vogelstoppels na graan en na snijmais lijken het interessantste habitat op te leveren voor akkervogels. De lage en open, maar toch structuurrijke vegetatie was zowel in de late winter en het voorjaar geschikt broed- en kuikenhabitat voor grondbroedende akkervogels zoals kievit, patrijs en gele kwikstaart. Maar ook heel wat andere soorten kunnen er terecht voor voedsel.

Vanaf de vroege zomer werd de vegetatie op de stoppels iets ruiger. De sterke heterogeniteit in de percelen zorgde er wel voor dat densere stukken steeds afgewisseld werden met meer open stukken, waardoor de stoppels steeds toegankelijk en interessant bleven. De heropslag van granen biedt bovendien extra kansen om de vogelstoppel langer aan te houden als faunavoedselgewas in de daaropvolgende winter.

Weinig of geen probleemonkruiden

Op alle drie de stoppeltypes (na graan, na snijmais of na korrelmais) stelden we weinig problemen vast op vlak van onkruiddruk. Kruiden waren vaak massaal aanwezig, maar probleemonkruiden maakten zelden een belangrijk aandeel uit van de vegetatie. Slechts op één perceel moest vroegtijdig ingegrepen worden vanwege een te sterke aanwezigheid van haagwinde. Bij de voorafgaande selectie van de vogelstoppels was er weliswaar bijzondere aandacht om geen percelen met een historiek van probleemonkruiden op te nemen in de proefopzet. Een aanpak die we ook bij eventuele opschaling sterk aanraden!

Sommige vogelstoppels bleven ook na 1 augustus nog even aanliggen. Het langer aanhouden doorheen de zomer lijkt vooral bij stoppels na mais niet altijd de beste keuze, waarbij we vaak een snel toenemende druk van probleemonkruiden zagen.

Rijk bodem- en insectenleven

Naast een geschikte vegetatie, toonden de vogelstoppels ook een rijk bodem- en insectenleven, waarbij vooral loopkevers, spinnen en regenwormen een talrijk aanwezige en toegankelijke voedselbron vormden voor akkervogels en hun kuikens. Meer onderzoek is nodig om na te gaan of er belangrijke verschillen op vlak van bodemleven en insecten afhankelijk van het type stoppel.

Ook landbouwers kunnen voordelen halen uit de vogelstoppels. Op en boven de vogelstoppels zagen we heel wat bestuivers en natuurlijke plaagbestrijders die van belang kunnen zijn voor de teelten rondom de vogelstoppels. 

Aantrekkelijk voor heel wat soorten

In totaal werden 94 soorten vogels, waarvan heel wat typische akkervogels, waargenomen of gehoord over de 11 vogelstoppels heen. Vooral op en rond de vogelstoppels na snijmais en graan telden we het meeste soorten. Sommigen leken een voorkeur te hebben voor een specifiek stoppeltype. Soorten als graspieper, grasmus, patrijs en fazant hoorden we enkel op de snijmaisstoppels, buizerd en zwarte roodstaart vooral op de korrelmais en ringmus en Cetti's Zanger enkel op de graanstoppels. Er waren ook seizoenale verschillen. De vogelstoppel bleek vooral in de winter en de lente het meeste soorten aan te trekken. In de herfst zagen en hoorden we vooral trekvogels (kneu, graspieper, rietgors, veldleeuwerik), waarschijnlijk op zoek naar granen en zaden op de stoppels.

Broedgevallen

Enkele soorten kwamen effectief tot broeden op de vogelstoppels. Een koppel patrijs met een tiental kuikens werd aangetroffen op één van de stoppels na snijmais (foto rechts). Gele kwikstaart en roodborsttapuit vertoonden eveneens broedgedrag. Kievit kwam niet tot broeden, maar in de directe nabijheid van de vogelstoppels werden wel meerdere broedgevallen vastgesteld. Vermoedelijk was de oppervlakte van de stoppels te klein en wat het landschap waarin de stoppels hier lagen niet voldoende open om kievit succesvol tot broeden te laten komen. De kleinere vogelstoppels zijn hier mogelijk wel interessant als kuikenhabitat.

Niet enkel vogels wisten de vogelstoppel te vinden, maar ook heel wat zoogdieren waaronder ook een ree met kalf.

Nitraatresidu is aandachtspunt

Hoewel een jaar als vogelstoppel een welgekomen rustperiode is voor de bodem, bleek dit nauwelijks een impact te hebben op de bouwvoor.

Op vijf van de zeven vogelstoppels na mais overschreed het nitraatresidu wel de eerste drempelwaarde. De hoogste waarden werden gemeten op de percelen met een opvallend hoger organisch koolstofgehalte, wat doet vermoeden dat dit mede het gevolg is van de hogere natuurlijke stikstofremineralisatie.

Op de vogelstoppels na de teelt van wintergranen werd een vanggewas ingezaaid. Nitraatresidu bleef hierdoor laag. Of heropslag van granen en kruiden op deze stoppels, zonder inzaai van een vanggewas, voldoende is om vogelstoppels na wintergraan onder de drempelwaardes te houden, kan niet uit deze proef afgeleid worden.

   

   

© Inagro
© Inagro
© West-Vlaamse Hart
© Inagro
© West-Vlaamse Hart
© West-Vlaamse Hart
© Inagro

Samenvattende conclusie

De metingen, waarnemingen en opgedane praktijkervaring op de elf experimentele vogelstoppels over twee proefjaren bevestigden het interessante potentieel van de vogelstoppel als volleveldse akkervogelmaatregel. 

De heterogene en variërende structuur van de vegetatie, samen met het voedselaanbod, vormen gedurende de volledig aanhoudingsperiode een aantrekkelijk habitat voor heel wat akkerfauna, waaronder ook verschillende soorten akkervogels en hun kuikens. De vele nuttige insecten die aangetrokken worden, kunnen ook voor de teelten rondom interessant zijn. Onkruidproblemen bleven hier heel beperkt en werden doorgaans ook niet als problematisch ervaren door de deelnemende landbouwers.

Daarnaast werd opnieuw duidelijk dat de eenvoud van de vogelstoppel als akkervogelmaatregel zeker een belangrijke factor is. Na de oogst van de mais of het graan is er, naast een eventuele inzaai van een vanggewas, doorgaans geen enkele ingreep nodig tenzij er onkruidproblemen optreden. Er komen verder ook geen maaischema’s of grondbewerkingen aan te pas en zijn er geen kosten voor zaaigoed.

We benadrukken dat dit rapport gebaseerd is op een relatief beperkte proefopzet. Verdere opschaling van dit onderzoek (meerdere percelen, bodemtypes en jaren) is wenselijk om inzichten uit dit rapport verder te onderbouwen.

Lees het volledige rapport