Resultaten in een notendop
We vatten hieronder de voornaamste resultaten en waarnemingen samen. Cijfers, beeldmateriaal en andere gegevens die dit onderbouwen zijn terug te vinden in het rapport.
Open vegetatie op maat van akkervogels
Vogelstoppels na graan en na snijmais lijken het interessantste habitat op te leveren voor akkervogels. De lage en open, maar toch structuurrijke vegetatie was zowel in de late winter en het voorjaar geschikt broed- en kuikenhabitat voor grondbroedende akkervogels zoals kievit, patrijs en gele kwikstaart. Maar ook heel wat andere soorten kunnen er terecht voor voedsel.
Vanaf de vroege zomer werd de vegetatie op de stoppels iets ruiger. De sterke heterogeniteit in de percelen zorgde er wel voor dat densere stukken steeds afgewisseld werden met meer open stukken, waardoor de stoppels steeds toegankelijk en interessant bleven. De heropslag van granen biedt bovendien extra kansen om de vogelstoppel langer aan te houden als faunavoedselgewas in de daaropvolgende winter.
Weinig of geen probleemonkruiden
Op alle drie de stoppeltypes (na graan, na snijmais of na korrelmais) stelden we weinig problemen vast op vlak van onkruiddruk. Kruiden waren vaak massaal aanwezig, maar probleemonkruiden maakten zelden een belangrijk aandeel uit van de vegetatie. Slechts op één perceel moest vroegtijdig ingegrepen worden vanwege een te sterke aanwezigheid van haagwinde. Bij de voorafgaande selectie van de vogelstoppels was er weliswaar bijzondere aandacht om geen percelen met een historiek van probleemonkruiden op te nemen in de proefopzet. Een aanpak die we ook bij eventuele opschaling sterk aanraden!
Sommige vogelstoppels bleven ook na 1 augustus nog even aanliggen. Het langer aanhouden doorheen de zomer lijkt vooral bij stoppels na mais niet altijd de beste keuze, waarbij we vaak een snel toenemende druk van probleemonkruiden zagen.
Rijk bodem- en insectenleven
Naast een geschikte vegetatie, toonden de vogelstoppels ook een rijk bodem- en insectenleven, waarbij vooral loopkevers, spinnen en regenwormen een talrijk aanwezige en toegankelijke voedselbron vormden voor akkervogels en hun kuikens. Meer onderzoek is nodig om na te gaan of er belangrijke verschillen op vlak van bodemleven en insecten afhankelijk van het type stoppel.
Ook landbouwers kunnen voordelen halen uit de vogelstoppels. Op en boven de vogelstoppels zagen we heel wat bestuivers en natuurlijke plaagbestrijders die van belang kunnen zijn voor de teelten rondom de vogelstoppels.
Aantrekkelijk voor heel wat soorten
In totaal werden 94 soorten vogels, waarvan heel wat typische akkervogels, waargenomen of gehoord over de 11 vogelstoppels heen. Vooral op en rond de vogelstoppels na snijmais en graan telden we het meeste soorten. Sommigen leken een voorkeur te hebben voor een specifiek stoppeltype. Soorten als graspieper, grasmus, patrijs en fazant hoorden we enkel op de snijmaisstoppels, buizerd en zwarte roodstaart vooral op de korrelmais en ringmus en Cetti's Zanger enkel op de graanstoppels. Er waren ook seizoenale verschillen. De vogelstoppel bleek vooral in de winter en de lente het meeste soorten aan te trekken. In de herfst zagen en hoorden we vooral trekvogels (kneu, graspieper, rietgors, veldleeuwerik), waarschijnlijk op zoek naar granen en zaden op de stoppels.
Broedgevallen
Enkele soorten kwamen effectief tot broeden op de vogelstoppels. Een koppel patrijs met een tiental kuikens werd aangetroffen op één van de stoppels na snijmais (foto rechts). Gele kwikstaart en roodborsttapuit vertoonden eveneens broedgedrag. Kievit kwam niet tot broeden, maar in de directe nabijheid van de vogelstoppels werden wel meerdere broedgevallen vastgesteld. Vermoedelijk was de oppervlakte van de stoppels te klein en wat het landschap waarin de stoppels hier lagen niet voldoende open om kievit succesvol tot broeden te laten komen. De kleinere vogelstoppels zijn hier mogelijk wel interessant als kuikenhabitat.
Niet enkel vogels wisten de vogelstoppel te vinden, maar ook heel wat zoogdieren waaronder ook een ree met kalf.
Nitraatresidu is aandachtspunt
Hoewel een jaar als vogelstoppel een welgekomen rustperiode is voor de bodem, bleek dit nauwelijks een impact te hebben op de bouwvoor.
Op vijf van de zeven vogelstoppels na mais overschreed het nitraatresidu wel de eerste drempelwaarde. De hoogste waarden werden gemeten op de percelen met een opvallend hoger organisch koolstofgehalte, wat doet vermoeden dat dit mede het gevolg is van de hogere natuurlijke stikstofremineralisatie.
Op de vogelstoppels na de teelt van wintergranen werd een vanggewas ingezaaid. Nitraatresidu bleef hierdoor laag. Of heropslag van granen en kruiden op deze stoppels, zonder inzaai van een vanggewas, voldoende is om vogelstoppels na wintergraan onder de drempelwaardes te houden, kan niet uit deze proef afgeleid worden.