Hoogstambomen zijn zeldzaam geworden in het dorps- en stadsgezicht van het West-Vlaamse Hart. Ze zijn nochtans meer dan ooit cruciaal voor de levenskwaliteit van ons platteland en onze woonkernen. Daar zijn alle experts het over eens.
Hoogstambomen zijn zeldzaam geworden in het dorps- en stadsgezicht van het West-Vlaamse Hart. Ze zijn nochtans meer dan ooit cruciaal voor de levenskwaliteit van ons platteland en onze woonkernen. Daar zijn alle experts het over eens.
Verstedelijking, klimaatverandering, een gebrek aan kennis over de juiste boom op de juiste plaats, onderwaardering van volgroeide bomen… hebben menig boom geveld of belet om hun volgroeid eindbeeld te halen. De voordelen van hoogstambomen zijn legio:
Een doordachte en duurzame keuze voor een boom is o.a. ingegeven door:
Om je keuze scherp te stellen, bevelen we onderstaande websites aan:
Onze streek stond ooit bekend om haar vele, typische fruitrassen. Helaas zijn veel oude appelaars en perenbomen verdwenen. In de gids 'Hoogstamfruitbomen in West-Vlaanderen’ je meer over deze typische soorten.
Planten doe je best niet vroeger dan half november. In principe kan je planten tot midden maart, wanneer de sapstroom terug op gang komt. Plant bij voorkeur bij vochtig of regenachtig weer en vermijd het planten bij schrale wind. Zo voorkom je het uitdrogen van fijne wortels. Plant best ook niet wanneer de plantputten vol water staan of bij vriestemperaturen.
Kan je niet direct planten, bewaar de planten dan door in te kuilen. Graaf een ondiepe kuil of plantsleuf en leg de wortels er in onder een hoek van 45 graden. Bedek alle blote wortels met de uitgegraven grond. Je kan de wortels ook tijdelijk bedekken met een vochtig deken of natte jutezak.
Zet je bomen niet dichter dan 2 meter van de perceelsrand, tenzij de wetgeving in je gemeente nog strenger is. De plantafstand kan variëren volgens de boomsoort die je plant. Met een plantafstand van 8 à 10 meter zit je in elk geval goed. Plant je meerdere rijen bomen? Zet ze dan best geschrankt.
Maak het plantgat minimaal zo diep en breed als de wortels van de boom. Bij een slechte afwatering maak je het plantgat best tweemaal zo diep en breed als de kluit. Dit geldt eveneens voor zware grond die uit klei bestaat.
Spreid de hoofdwortels van de planten op de bodem van het gat. Vul het plantgat voor ongeveer de helft. Schud de boom even op, zodat de aarde goed tussen de wortels valt. Vul de rest van het gat geleidelijk aan op met aarde en trek de boom voorzichtig omhoog zodat de wortelhals (=daar waar de stam overgaat in wortelstelsel, dit deel heeft vaak een andere kleur) op gelijke hoogte komt met het maaiveld. Zet een boom nooit te diep! De uitgegraven aarde kan je eventueel met potgrond of volledig verteerde compost mengen om het gat te vullen.
Bescherm de boom tegen vraat als er dieren of wild bij kunnen.
In het voorjaar kan je water geven om de beworteling op gang te brengen. Geef de jonge aanplant ook overvloedig water in droge periodes.
Plaats bij bomen minimaal één paal aan de kant waar de meeste wind vandaan komt (in Vlaanderen is dat vooral het noordwesten). Zo’n paal zorgt voor een stevige verankering en kan na een paar jaar weer weggehaald worden. Deze paal plaats je best voor je de boom plant.